Gebarentaal is een taal, die gebruikt wordt door een linguïstische minderheidsgroep.

Toen ik gisteren hoorde dat Stijn Coninx, naar aanleiding van de 10-jarige erkenning van de Vlaamse Gebarentaal, zijn zeg zou mogen komen doen in het Eén-programma Van Gils & Gasten, had ik al geen zin meer om te kijken. Ik zou toch niets bijleren en al zeker geen kippenvel krijgen, zoals enkele uren eerder, toen het gebarentalige ‘Professor Doof & (S)Tom‘ op Ketnet werd uitgezonden, naar aanleiding van diezelfde verjaardag. Vandaag besloot ik de man, die al sinds jaar en dag in de media wordt opgevoerd als men een item over gebarentaal of de dovengemeenschap wil brengen (*), het voordeel van de twijfel te geven en de aflevering online te bekijken. Misschien was hij intussen van perspectief en discours veranderd. Niets bleek minder waar.

Gebarentaal werd (zowel door Van Gils als zijn gast) voorgesteld als een (zij het sexy) hulpmiddeltje, voor als het CI (cochleair implantaat) uit gaat. Of voor doven en slechthorenden die nog andere ‘problemen’ hebben dan het feit dat ze niet of minder goed horen. Verder passeerden ook tenenkrommende clichés als ‘Wat moet het toch heerlijk stil zijn als je doof bent, wij kunnen ons dat niet voorstellen!’ en ‘Ja, ik zet m’n CI uit als m’n ouders zagen’ de revue. Mijn maag keerde om.

Net op de dag wanneer de 10de verjaardag van de erkenning van de Vlaamse Gebarentaal als volwaardige taal gevierd wordt, slaagt men er bij Eén in haar net niét als taal te behandelen. Wat gebruiken de (dove en horende) tolken die sinds 2012 worden ingeschakeld bij Het Journaal op Eén en Karrewiet op Ketnet? Een hulpmiddel? Hoe kan u VGT aanbieden en tegelijkertijd een dergelijke bekrompen, om niet te zeggen, gedateerde visie aanhangen?

Ik weet dat veel horenden in clichés denken. Ik krijg al jaren dezelfde terugkerende vragen over doven en gebarentaal. Dat is normaal en ik neem het ook niemand kwalijk. Men weet meestal niet beter. Ik leg dan met veel plezier uit dat gebarentaal een volwaardige taal is, dat er niet één universele gebarentaal bestaat (en dat dat hoegenaamd niet stom is) en dat er dialecten bestaan in gebarentaal. Eenzelfde sensibiliserende rol is ook voor u weggelegd, VRT. U heeft intussen experten in huis. Waarom, naast de heer Coninx, ook niet hen ‘aan het gebaar’ laten, op deze belangrijke verjaardag? Of een Annelies Kusters uitnodigen, een Vlaamse dove gebarentalige die met Ishaare een documentaire maakte over gebaren en gebarentaal in India? Of Kristof De Weerdt, eveneens Vlaams, doof en gebarentalig, die met zijn gebarenverhaal ‘De mier en het ijsje’ zowaar een Language Industry Award in de wacht sleepte? U kan ook eens een kijkje gaan nemen bij Frontrunners in Denemarken, een internationaal leiderschapsprogramma voor dove jongeren. Mede op poten gezet door Filip Verhelst. U raadt het al, ook hij is doof, Vlaams en gebarentalig. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Begrijp me niet verkeerd, ik zeg niet dat u Stijn Coninx en zijn dochter niet aan het woord had mogen laten. Ik respecteer zijn keuze als ouder van dove kinderen. Ik twijfel er ook niet aan dat zijn dochter inderdaad haar CI uitzet als ze het even stil wil. Ik weet ook dat hij o.a. geijverd heeft voor ondertiteling in Vlaamse bioscopen en vind dat uiteraard een goeie zaak. Maar door alleen hem in uw praatprogramma op te voeren, brengt u wederom een eenzijdige en clichébevestigende visie op doven en hun taal; gebarentaal is vooral kunstig handgezwaai en de dovenwereld toch wel een heel stille wereld.

Ik stel ook niet dat ouders voor hun kinderen geen CI mogen kiezen. Wel, integendeel. (Ik ben de technologische vooruitgang ook dankbaar voor mijn eigen hoorapparaten.) Maar laat hen dan voldoende geïnformeerd zijn. Laat hen (en bij uitbreiding de hele maatschappij) weten dat de Vlaamse Gebarentaal een volwaardige taal is, die de verwerving van het Nederlands niet hindert, maar veeleer ondersteunt. Laat gebarentaal meer zijn dan een exotisch fenomeen. Het is een taal, gebruikt door een linguïstische minderheidsgroep. Het is de eerste taal van doven, slechthorenden en CODA’s (Child Of Deaf Adults), ongeacht of zij een CI of hoorapparaten dragen. 

Et tu, VRT? U kan niet langer beweren dat u niet beter weet.

Katrien Van Mulders

(*) Coninx heeft zelf 3 dove kinderen, die een CI dragen.

 

is wat ik meemaak échter omdat u op een sterretje of een duimpje heeft gedrukt?

ha, dat heerlijk lief van mij. doet me nog meer nadenken dan gewoonlijk. nadenken, niet piekeren. hij bedoelt het niet zo, doet het zeker niet bewust, maar hij doet me inzien dat ik de voorbije jaren al te vaak gebruik heb gemaakt van het ‘gemak’ van een online leven. en dat ik het tête-à-tête-vriendschappen onderhouden wat verleerd ben. terwijl ik zo’n sociaal dier ben. maar ik ben een dier met grenzen. ik heb veel vrienden, ken veel mensen, omdat ik nu eenmaal zeer makkelijk contact leg. en dan is online contact houden gewoon heel handig. het kan met velen tegelijkertijd en ik hoef niet iedereen de hele tijd te zien, wat een behoorlijke uitdaging zou zijn voor m’n grenzen.

ik wil weer meer tête-à-tête, meer kwaliteit. eenvoudig zal dat niet zijn. want ik kan niet iedereen vaak zien. kan zelfs niet iedereen weinig zien. ik heb tegenwoordig ook minder tijd dan ooit, omdat ik nog nooit zo ver van m’n werk heb gewoond, laat staan van m’n familie. het zij (voorlopig) zo. maar ik ga meer afspreken, vaker bellen. met minder mensen, ja. minder dan ik momenteel (zeker) in mijn (online) kringetjes heb. en (wat) minder online (proberen) zijn. ik zal dus keuzes moeten maken. maar eigenlijk zijn die niet eens zo moeilijk. dènk ik😉

ik wil het web zeker nog gebruiken. om te zien of wat ik creëer bijvoorbeeld, een publiek heeft. of om m’n gal te spuwen. eventueel hier en daar een mening te droppen. om mezelf te informeren. (of om werk te vinden in de koekenstad, aja.) maar ik hoef er geen leven (meer) te ‘maken’. dat is al te makkelijk. en het lokt ook al te makkelijk de beoogde (positieve) reacties uit. wat zou ik daar in hemelsnaam aan moeten hebben? verleent het dat leven of mij meer waarde? is wat ik meemaak échter omdat u op een sterretje of een duimpje heeft gedrukt? hell no.

ik vind mijn leven prachtig. dat ik dat weet, en dat af en toe zijn oor in fluister, is voldoende.

of plots op een zaterdagavond out of the blue mijn broer sms om te zeggen dat ik gelukkig ben. en ik hem graag zie. en hij dan antwoordt dat mijn geluk ook zijn geluk is.

dat is méér dan voldoende.

hij beseft het niet, maar hij pelt me laag per laag bloot.

met de haiku’s gaat het goed. 32 smeet ik er intussen online. en ik kreeg al zeker evenveel positieve reacties. met je werk (want dat is het zeker) -en jezelf- naar buiten komen, is iets wat ik tot nog toe zelden deed. toch niet op deze manier. ik ben extravert te noemen. dat zullen velen onder mijn vrienden beamen. wat zeg ik, zelfs velen die me voor het eerst ontmoeten, zullen wellicht die term in de mond nemen, wanneer ernaar gevraagd. maar dat wil nog niet zeggen dat je je bij elk contact kwetsbaar opstelt. en dat doe ik nu wel. hij heeft er wellicht veel mee te maken. hij beseft het niet, maar hij pelt me laag per laag bloot. zoals ik al eerder zei, ‘wij’ inspireert.

hij is ook de enige waarvan ik dat verdraag. de enige die zo dicht kan komen. als een volstrekt onbekende zich dan het recht toe-eigent om heel dichtbij te komen, dan stokt alles. en wil je niets liever dan weer die muur rond je bouwen waar niemand doorheen kan. ook hij niet. maar uiteindelijk schieten, zoals steeds, woorden ter hulp.

en omdat alles al eens gezegd is (ik hoorde het Leonard Nolens onlangs nog zeggen, vanachter zijn typemachine), werk ik soms letterlijk met de woorden van een ander.

het creëert tegelijkertijd afstand en begrip. ik heb afstand nodig van het gebeurde, maar ook begrip voor wat me is overkomen.

image

schrijven helpt. omdat je om het gezegde niet heen kan. en omdat alles, paradoxaal genoeg, minder erg lijkt. want ze zijn zo mooi, meneer, die woorden.

en een schop onder mijn welgevormde kont

ik weet niet of het aan hem ligt (hij is mijn artiest, namelijk) of aan het feit dat ik nu -eindelijk- op een plek ben waar ik wil blijven (dat geeft rust, namelijk), maar mijn nood aan creëren is tegenwoordig humongous.

dat van die plek hoeft u trouwens niet noodzakelijk (of altijd) letterlijk te nemen. ja, er is antwerpen, die grote, nog grotendeels te verkennen, stad. er is zijn prachtige herenhuis. of beter, twee verdiepingen in dat huis, mét tuin, en atelier, en houten vloeren, hoge plafonds en authenticiteit. en ruimte in overvloed. en er is de wijk waar we wonen, samen met 142 andere nationaliteiten. ‘wanneer je door antwerpen-noord wandelt, wandel je door heel de wereld’, las ik onlangs nog ergens. ik had het zelf niet beter kunnen omschrijven. maar er is ook hem, en ‘wij’. en wij is een plek waar het heerlijk toeven is. heerlijk genoeg om er nooit meer weg te willen.

maar goed, creëren dus. dat heeft, in mijn geval, bijna altijd met taal vandoen. een dikke week geleden begon ik met het schrijven van haiku’s. dat kwam u hier al te weten. en hier kan u ze lezen. het zijn geen echte haiku’s, dat zal mijn artiest u met veel plezier toelichten. immers, het enige haiku-criterium dat ik consequent toepas, is de 5/7/5-regel. ik noem ze dan ook óók ‘daggedichten’, omdat ik dat wel weet, dat ze niet ‘echt’ zijn. maar ze doen me dagelijks schrijven. ze helpen me dingen verwerken, maar evengoed zaken of mensen verheerlijken. ze zijn een uitlaatklep. en een schop onder mijn welgevormde kont. ge kunt schrijven, kind, en ge houdt ervan. doe het dan ook. publiekelijk. (zoiets.)

vandaag heb ik me ook weer aan een oude liefde gezet, newspaper blackout of, in lekker bekkend nederlands, stift(ge)dichten. ik gooide er nog maar eentje op het wereldwijde web, maar het smaakt naar meer. veel meer. kijk zelf maar.

 zo’n ticket (een enkeltje antwerpen) kreeg ik eind juli.

en geloof het of niet, een uurtje later gooit een van mijn favoriete blogsters vergelijkbare creaties op haar instagramaccount. het inspireert, dames en heren!

ik kan alleen maar hopen dat u zo content bent als ik.

Een uitdaging

Wat krijg je als je pendelen combineert met het bezit van een Moleskine en een Parkerpen en je bovendien last hebt van schrijflust? Een uitdaging. Geïnspireerd door de Canadese Courtney Symons, die er, 100 dagen lang, elke dag één schreef, heb ik beslist om vanaf vandaag haiku’s te beginnen schrijven. Ik dacht eerst -netjes- op 1 september te starten en er 365 te schrijven. Ik heb immers een zekere hang naar symboliek. Maar ik ga gewoon vandaag beginnen, op 26 augustus. En ik ga schrijven zolang ik er zin in en/of nood aan heb. Elke dag.

Ik ken niks van haiku’s, dus, hoewel ik me braaf aan de 5/7/5-regel zal houden, zou het kunnen dat ik vele andere regels flagrant met de voeten treed. So be it. Ik wil mezelf uitdagen en dagelijks schrijven. Een haiku leent zich daar, omwille van z’n korte vorm, perfect toe. En opmerkingen of ‘tips and tricks’ zijn uiteraard meer dan welkom.

Ik wil dingen gezegd krijgen. En hopelijk leest u ze graag.

[Oh ja, de eerste vindt u hier. All hail to Notegraphy voor de vormgeving.]

Een machine, die een taal machtig is.

Een robotarm die Vlaamse gebarentaal kan. Zo staat het er. Letterlijk.
1 arm. Een machine, die een taal machtig is.

In werkelijkheid gaat het om een schijnbaar uit een aftandse knex-bouwdoos gefabriceerde arm waarvan de hand nauwelijks afleesbare letters uitbeeldt in de lucht. En daarmee tergend traag Nederlandse woorden vormt.

Het spijt me, maar dat is geen taal. Of toch. Je zou het met een beetje goede wil Nederlands kunnen noemen. Je zou het kunnen vergelijken met letter voor letter woorden en zinnen spellen. Zo kan je niet communiceren.(*) En ja, ik weet dat de studenten aangeven dat ze nog een tweede arm, een gezicht en een romp willen creëren, want dan kunnen ze de robot “hele woorden laten zeggen”. Goed dat ze zich bewust zijn van de beperkte toepassing van de arm (het zou beschamend zijn moest dat niet het geval zijn), maar in de berichtgeving wordt over taal gesproken, gebarentaal. En dat is het niet. Een robot “hele woorden laten zeggen” is dat ook niet, trouwens. Maar een groot deel van één-kijkend (en/of naar deredactie.be surfend) Vlaanderen denkt nu (weeral) van wel. Meer nog, ze krijgen ook te horen dat gebarentaal (of wat er hier voor moet doorgaan) ‘doventaal’ is. Martine, I love you, maar nee. Dat synoniem voor gebarentaal mag je uit je vocabularium schrappen. Zou je mijn Nederlands ooit als ‘horendentaal’ bestempelen? Er zijn doven die geen en horenden die wel een gebarentaal gebruiken. Er zijn horenden die een gebarentaal als moedertaal hebben. Vlaamse Gebarentaal is een taal. Als een andere. Een volwaardige taal. Met een naam. Gebruik hem dan ook.

Sensibilisering begint immers met genuanceerde, correcte berichtgeving. Ook in een kort nieuwsbericht is dat mogelijk. Het is een vereiste. Met hoe je iets zegt, met de terminologie die je hanteert, geef je aan hoe je iets percipieert. Martine kan er niet aan doen dat doventaal in haar vocabularium zit. Ook is het de Antwerpse studenten nauwelijks persoonlijk te verwijten dat ze de woorden gebruiken die ze gebruiken. Maar ik wil wel aan de kaak stellen dát ze het doen. Omdat het zo vaak gebeurt. En het komt doordat ze fout en onvolledig geïnformeerd zijn. En op die manier verkeerde opvattingen in stand helpen houden.

En begrijp me niet verkeerd, wat die jongens in het kader van hun opleiding met de ontwikkeling van deze arm gepresteerd hebben, is ongetwijfeld bewonderenswaardig. Onder andere omwille van het innovatieve karakter en de technologische uitwerking ervan verdienen ze hun cijfers en diploma. Daar wil ik geen afbreuk aan doen. Maar de insteek van hun opdrachtgever en de eventuele implementatie van hun uitvinding is verkeerd, alsook -zoals ik net aangaf- de berichtgeving errond.

Waarom niet investeren in (nog) degelijk(er) tolkenonderwijs? In een aanpassing van het tolkenstatuut? In het integraal toegankelijk maken van het openbaar leven voor doven, en het onderwijs in het bijzonder? In visuele communicatietechnologie? In dove (gebarentalige) media? In sensibilisering?

Het willen ontwikkelen van een gebarende robot is een gemakkelijkheidsoplossing die getuigt van een eenzijdige kortetermijnvisie en die een hele gemeenschap en de status van de taal waarvan zij zich bedient, voor de zoveelste maal, devalueert.

De NKO-arts die zo graag beter wou kunnen communiceren met zijn patiënten en daarvoor heil zag in een vingerspellende robotarm, had beter zelf simpelweg wat tijd geïnvesteerd in het aanleren van het handalfabet. Gratis ende voor niets. En het geld en de tijd die nodig zijn voor de ontwikkeling van de robotarm kan dan elders naartoe. En oneindig veel beter besteed worden.

Katrien Van Mulders

(*) Doven (of juister ‘gebarentaligen’) gebruiken uiteraard wel vingerpelling. Om begrippen of mensen aan te duiden waar er (nog) geen gebaar voor bestaat. Ze bedienen zich daarvoor van de taal van de hen omringende meerderheid. Hun taal wordt door die taal beïnvloed. Zoals ook gesproken talen elkaar beïnvloeden.
Vingerspelling is op die manier zelfs integraal deel gaan uitmaken van gebarentalen. Voor wie daar meer wil over weten, kan ik onder andere dit leesvoer aanraden. En nog zoveel ander. Maar daar kom ik een volgende keer wel op terug.

als een woorden(over)vloed die ebt

als ik schrijf, ben ik even iemand anders. ergens anders. althans, zo voelt het.
en toch heb ik nooit (met uitzondering van een in het kader van een lokale bibliotheek-wedstrijd gelauwerd spinnenverhaal toen ik 10 was (of 12)) iets niet-autobiografisch geschreven. op m’n 10e (of 12e) was er blijkbaar nog ruimte voor fictie. op m’n 34e haalt de realiteit haar in.

schrijven maakt me rustig. het geeft richting aan de niet-aflatende chaos in m’n hoofd, waar gedachten steevast wild oncontroleerbaar om zich heen schieten. het biedt houvast. het is als een woorden(over)vloed die ebt.
het omhult de wereld met een soort glanslaag, een gloed waarbinnen het fijn toeven is.
ik hou zo van de vrouw die ik ben als ik schrijf.

ik hou zo van woorden. je kan niet geloven hoe blij ik word van letters op papier. van zinnen op een scherm. van wat taal vermag.
er is weinig in de wereld dat ik mooier vind*.

en dus wil ik, om die liefde en om wat taal vermag, (weer) veel meer met haar aan de slag.

*mijn lief. dat dan weer wel.